Een tuinbouwonderwijzer en onderwijzer in plant- en dierkunde die Boon heet. Dat verzin ik niet. Ik kwam de naam van de man tegen op Delpher, een van mijn favoriete sites voor historische informatie. Eenmaal op Delpher aangekomen – “Ruim 100 miljoen pagina’s uit Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften” – vergeet ik de tijd. Zeker op een regenachtige dag. Ik ging er op zoek naar pronkboon.

In de Wijktuin zijn diverse bonen gefaseerd gezaaid. Peulgroente als tuinbonen, kapucijners en peultjes hebben inmiddels het veld geruimd. Nu is het de beurt aan stok- en stambonen. De eerste ronde om deze te oogsten is gaande. Bij de stambonen zijn sperziebonen te halen, één rijtje pas. Bij de stokbonen zijn er snijbonen en slanke slabonen, de bekende soorten. En er hangen pronkbonen. De prachtige rode bloemetjes van de pronkbonen vielen direct op tijdens de bloei. De peulen die er nu hangen, zijn van buiten ruwer dan die van de snijbonen. De vraag is: hoe ze te eten? Zijn de jonge peultjes smakelijk? Eet je ze als snijbonen? Of gaat het om de zaden? Daar moet ik achter komen door te zoeken op receptensites (en dankzij Delpher ben ik niet opgeschoten …).

Hier alvast een eerste poging, uit eigen koker. Ik heb een aantal dikke peulen (niet uit de Wijktuin overigens) gedopt en de bonen gekookt. Samen met andere boontjes maak ik later vandaag een koude bonensalade, gegarneerd met rucola, komkommer, tomaat, worteltjes en geitenkaas. Mmwah, lijkt me best lekker.